Vanuit systemisch perspectief wordt duidelijk waarom rationele inzichten zo weinig effect hebben op ons gedrag. Patronen hebben namelijk een functie die veel verder reikt dan het individu zelf. Ze dekken af wat te pijnlijk is om te zien, en wat het systeem zegt: ‘Breng het maar niet in beeld’. Op het moment dat je bewust naar een patroon kijkt, is het per definitie niet meer onbewust, en juist in dat onbewuste ligt de sleutel tot werkelijke verandering.
De achterkant van de werkelijkheid
Patronen worden door Jan Jacob Stam, systemisch werker avant la lettre, ‘de achterkant van de werkelijkheid’ genoemd. Ze zijn geen willekeurige gewoontes die je met voldoende herhaling kunt doorbreken. Patronen hebben een beschermende functie binnen het systeem. Ze dekken af wat niet gezien mag worden, gebeurtenissen uit het verleden die nog niet geïntegreerd zijn, situaties in het heden die we niet waar willen hebben, of zelfs toekomstige loyaliteiten waar we nooit afstand van zullen doen omdat de prijs te hoog is.
Wat door een patroon wordt afgedekt kan uit verschillende tijdslagen komen. Uit het verleden kunnen dat gebeurtenissen zijn die nog steeds in het NU zijn, die nog geen historisch feit zijn geworden. Het kan gaan om iemand of iets dat er niet mocht zijn, of om degenen die een hoge prijs hebben betaald. In het heden gaat het vaak om dat wat bepaalt hoe dingen gaan, om de regels die alles sturen maar niet uitgesproken worden. En naar de toekomst toe beschermen patronen vaak datgene waar we onbewust zeggen: ‘voor hem of dat doe ik alles’.
Dit verklaart waarom rationele inzichten zo weinig effect hebben. Je kunt een patroon niet doorbreken door het bewust te herkennen. Sterker nog: zodra je bewust naar een patroon kijkt, kijk je al niet meer naar het eigenlijke mechanisme. Het bewuste brein kan simpelweg niet bij het onbewuste komen.
Hoe patronen ontstaan in systemen
Binnen een systeem, of dat nu een familie, organisatie of andere sociale structuur is, vinden heftige gebeurtenissen plaats die het systeem uit balans brengen. Als zo’n gebeurtenis wordt geïntegreerd, herstelt het evenwicht vanzelf. Maar wanneer een gebeurtenis niet geïntegreerd wordt, gebeuren er twee dingen tegelijk.
Ten eerste herhaalt de gebeurtenis zich, totdat het wel wordt gezien en erkend. Ten tweede ontstaat er een dynamiek in het systeem om het verstoorde evenwicht te corrigeren. Als de gebeurtenis zich opnieuw voordoet, of als er een andere heftige gebeurtenis plaatsvindt, wordt weer dezelfde oplossing gekozen. Zo ontstaat er een patroon dat zichtbaar wordt in symptomen.
Dit systemische perspectief maakt duidelijk waarom individuele behandeling die zich uitsluitend richt op problemen die boven de oppervlakte zichtbaar zijn, vaak niet blijvend werkt. Iemand met psychische problemen zal op de vraag wat er aan de hand is altijd de symptomen benoemen, dat is wat hem dwarszit. In de westerse geneeskunde is het gebruikelijk om vooral die symptomen te behandelen. En als er al naar de oorzaak wordt gekeken, wordt die uitsluitend in het individu gezocht.
Vanuit systemisch fenomenologisch perspectief is het echter de vraag of de oorzaak van het probleem wel bij het individu ligt. Het is waarschijnlijker dat het individu in de eerste plaats de symptoomdrager is van een probleem, en met zijn klachten dat probleem zichtbaar maakt zodat het kan worden geheeld. Dit betekent dat als de oorzaak van het probleem niet wordt aangepakt, er altijd familieleden zullen zijn die symptomen gaan vertonen. Deze symptomen verdwijnen niet totdat het onderliggende probleem is verholpen.
De rol van omgevingsfactoren
Gedragsverandering wordt vaak benaderd alsof het louter een individuele aangelegenheid is. Maar omgevingsfactoren spelen een cruciale rol, niet alleen in het ontstaan van problematisch gedrag, maar ook in het voorkomen en behandelen ervan. Dit wordt bijvoorbeeld duidelijk in onderzoek naar stress op het werk, waar zowel individuele als organisatiegerichte interventies kleine maar consistente effecten laten zien.
Interventies gericht op het individu, zoals therapeutische interventies voor emotieregulatie, mindfulness of stressmanagement, kunnen helpend zijn. Maar interventies gericht op de organisatie zijn minstens zo belangrijk: de aanpak van werkdruk, verbetering van roosters, optimalisatie van teamwork. In verschillende contexten blijkt het aanbieden van beide typen interventies het meest gunstig.
Wat opvalt is de cruciale rol van leidinggevenden. Zij kunnen zowel de oorzaak zijn van uitval als juist uitval voorkomen. Voor effectieve preventie is het essentieel dat leidinggevenden actief signaleren, echt luisteren naar medewerkers, helder communiceren en op tijd actie ondernemen en problemen oplossen. Maar er ligt ook een verantwoordelijkheid bij de werknemer zelf om op tijd aan de bel te trekken, of, als dat niet meer lukt, bij collega’s om te signaleren dat een collega niet meer de oude is.
Dit illustreert dat gedrag niet los staat van de context waarin het plaatsvindt. Het systemische perspectief erkent dat symptomen vaak wijzen op verstoringen in het bredere systeem, niet alleen in het individu.
Waarom bewustwording niet werkt
De dominante aanpak in veel therapievormen is gericht op bewustwording. Cliënten worden aangemoedigd om hun patronen te herkennen, inzicht te krijgen in hun gedrag en/of iets nogmaals doorleven, en vanuit dat bewustzijn te veranderen. Maar dit botst met een fundamenteel principe: je kunt het onbewuste niet bereiken via het bewuste.
Op het moment dat je ergens bewust van bent of aan denkt, is het per definitie niet meer onbewust. Het bewuste brein kan niet bij de mechanismen die het gedrag werkelijk sturen. Dit verklaart waarom zoveel mensen precies kunnen uitleggen wat hun probleem is, maar het toch niet kunnen veranderen. Hun rationele begrip reikt simpelweg niet tot waar de werkelijke oorzaken liggen.
Als gedragsverandering niet werkt via rationeel inzicht, wat dan wel? Het antwoord ligt in de systemische fenomenologie; het werken met het systeem zelf, in het zichtbaar maken van wat verborgen is gebleven, en in het herstellen van verstoorde verhoudingen.
Fenomenologisch waarnemen zonder oordeel
Systemisch fenomenologisch werken vraagt om een andere manier van kijken. Het gaat om waarnemen met al je zintuigen, waarbij je probeert tot de essentie van het fenomeen door te dringen, of dat nu een mens is, een situatie of delen van een familiesysteem. Tijdens het waarnemen oordeel of analyseer je niet en laat je zoveel mogelijk kennis door eerdere ervaringen los.
Na het waarnemen laat je wat je hebt gezien en gehoord op je inwerken. Het gaat niet puur om het waarnemen zelf. Het is een middel om behoeften te herkennen en oplossingen te vinden. De waarneming dient als basis voor het inleven in het fenomeen dat je ziet. Je maakt contact met dat wat je ziet en luistert naar de behoefte daarvan.
Vanuit deze benadering is het mogelijk om dynamieken in een systeem te duiden en een oplossing te bieden voor een dynamiek die niet meer helpend is. Tijdens het waarnemen stel je jezelf de vragen: ‘Wat is hier nodig?’ en ‘Hoe kan daarin worden voorzien?’ Dit is kijken zonder oordeel. Er worden geen schuldigen aangewezen, er is slechts wat er is en van daaruit wordt gekeken hoe je verder kunt.
De invloed van meerdere generaties
Een systemische benadering vereist dat er naar de hele familiegeschiedenis wordt gekeken, waarbij minimaal drie generaties worden meegenomen: de cliënt zelf, zijn ouders en zijn grootouders. Er wordt onderzocht welke traumatische gebeurtenissen hebben plaatsgevonden die het familiesysteem uit balans hebben gebracht, en welke wetmatigheden binnen het familiesysteem niet meer op orde zijn.
Dit perspectief wordt ondersteund door inzichten uit de epigenetica. Erfelijke aandoeningen worden niet alleen bepaald door genen zelf, maar ook door epigenen, eiwitten die rondom een gen zitten en ervoor zorgen dat een gen ‘aan’ of ‘uit’ staat. Omgevingsfactoren, leefstijl en zelfs gedachten blijken van grote invloed te zijn op het aan- of uitstaan van deze epigenen.
Dit betekent dat wat zich over generaties heen heeft afgespeeld, letterlijk in ons biologische systeem kan zijn vastgelegd. Niet als een onveranderlijk lot, maar als iets dat beïnvloed kan worden. Het verklaart ook waarom symptomen zich kunnen herhalen over generaties, en waarom echte genezing vaak vraagt om het adresseren van wat zich in eerdere generaties heeft afgespeeld.
Naar werkelijke verandering
Werkelijke verandering vraagt om interventies die het onbewuste bereiken, zoals de ordening is het systeem herstellen, het laten uitspreken van helende zinnen, en door nieuwe ervaringen op te doen.
Therapeutische vormen waarbij het systeem van de cliënt in de ruimte wordt uitgebeeld, zoals bij een therapeutische levensopstelling gebeurt, bieden deze mogelijkheid. De cliënt doet nieuwe ervaringen op die niet via het rationele brein lopen. Hierdoor kan er werkelijke verandering plaatsvinden.
Voor jou als professional betekent dit een verschuiving in perspectief. In plaats van te focussen op het bewust maken van patronen, kun je je richten op het herkennen van wat door patronen wordt afgedekt. In plaats van symptomen te bestrijden, kun je kijken naar de systemische dynamieken die deze symptomen in stand houden. En in plaats van te werken aan individuele gedragsverandering, kun je het bredere systeem betrekken waarin gedrag ontstaat en wordt onderhouden.
Dit vraagt om een andere houding: fenomenologisch waarnemen zonder oordeel, ruimte maken voor wat zich wil tonen, en vertrouwen hebben in de wijsheid van het systeem zelf. Het vraagt ook om een houding die verder gaat dan werken met wat zich wil tonen. Het vraagt om kennis van systeemdynamieken en patronen, en het kunnen toepassen van de juiste interventies. Het is een benadering die erkent dat werkelijke verandering niet geforceerd kan worden via het rationele brein, maar ontstaat wanneer het systeem zelf weer in balans wordt gebracht met behulp van de systemische expertise van een goed opgeleide therapeut.